Scholte-Albers woont en werkt in Groningen. Hij kent het landschap daar. Hij zou het bij wijze van spreken blind kunnen schilderen. Thuis, in zijn atelier. Toch trekt hij er iedere dag op uit, op de fiets, gewapend met zijn karretje met schildersspullen, om op locatie te werken. Meestal schildert hij (loof)bosranden, soms ook uitzichten op een vlak landschap. Op die manier werken is in zijn ogen noodzakelijk, omdat het hem uiteindelijk niet om het landschap op zich gaat, maar om de sfeer die het landschap uitstraalt en de stemming die het bij hem oproept. Hij wil dat ik als kijker die stemming of die sfeer ervaar. Hij geeft niet het landschap weer, hij vertelt de biografie ervan. Hij wil fictie en non-fictie met elkaar vermengen. Hij schildert zoals Geert Mak schrijft. Die vertelt niet de geschiedenis van Jorwerd, die richt zich op de mensen die in dat Friese dorp wonen en hebben gewoond en vertelt hun verhaal. Achter die verhalen doemt de historie op. Ze wordt zichtbaar en voelbaar. De lezer wordt zo de kans geboden er zich mee te identificeren. De lezer wordt verleid om iets te zien wat een geschiedenisboekje hem nooit zou kunnen vertellen. Scholte-Albers gebruikt zijn ‘woorden', zijn beeldtaal, op dezelfde manier. Hij maakt de werkelijkheid invoelbaar voor iemand die er niet onmiddellijk warm voor loopt. Daarmee geeft hij het landschap een nieuwe kans. Hij maakt het van normaal, vanzelfsprekend tot bijzonder. Hij dwingt de kijker om zijn (mogelijk) sleetse perceptie aan een kritisch oordeel te onderwerpen.
Scholte-Albers hanteert verschillende manieren of middelen om dat doel te bereiken. Allereerst is zijn impressionisme van een expressionistische soort. Hij brengt door zijn Pollockiaanse of Appeliaanse manier van schilderen leven in zijn landschappen. De tijd krijgt er toegang en lijkt te verlopen. Hij laat zijn bomen ruisen. Zelfs dorre loofbomen tarten in zijn handen de wetten van de natuur.